Voorbereiding
- Kijk eerst om je heen met binnenspiegel, rechter buitenspiegel en over je rechterschouder, en zet de rechter richtingaanwijzer aan op ongeveer 70 m voor het stoppen.
- Controleer de omgeving goed (spiegels en dode hoek).
- Rij langzaam naast de geparkeerde auto tot je ongeveer 30–50 cm stopafstand tot die auto hebt. Zorg dat jouw auto recht staat.
Eerste herkenningspunt (start van indraaien)
Rij langzaam achteruit met ongeveer 1 km/u tot de rugleuning van jouw achterbank — denkbeeldige lijn — gelijk staat met de achterlichten van de geparkeerde auto. Stop daar kort en controleer opnieuw de omgeving.
Begin nu met volledig naar rechts sturen en rij langzaam achteruit tot het tweede herkenningspunt. Kijk tussendoor om je heen; stop indien nodig op tijd voor overige verkeer.
Tweede herkenningspunt (terugsturen)
- Zodra je met de rechterbuitenspiegel ongeveer 30 cm voorbij de bumper van de geparkeerde auto bent, stop je kort.
- Stuur nu terug naar links (volledig) om je auto recht in het parkeervak te draaien.
- Kijk tijdig in je linker buitenspiegel; indien nodig stop je op tijd om anderen voor te laten gaan.
- Blijf langzaam achteruitrijden terwijl je links blijft sturen.
Auto recht zetten
Zodra je auto recht in het vak staat en parallel is aan de stoeprand, stuur je het stuur weer recht.
Corrigeer indien nodig een klein beetje vooruit of achteruit zodat je netjes in het midden van het vak staat en voldoende ruimte voor- en achter je hebt.















